De Boeddha in humanistisch perspectief
Januari 2007
Erika Baardwijk
0545457
Inleiding
Zowel Socrates als de Boeddha hadden de moed de mens tot onderwerp te maken van hun onderzoek en praxis. De goden krijgen de functie van toeschouwers. De goden worden projecties van de menselijke geest.
Het boeddhisme was een revolutionaire benadering, want de gedachte die erachter lag, was dat de mensen de mogelijkheid in zich dragen om hun humaniteit, hun waarachtige menselijkheid ten volle te ontplooien en daaruit te leven, een gedachte die ook binnen het humanisme van groot belang is.
Het boeddhistische mensbeeld lijkt echter diepgaand te verschillen van het humanistische mensbeeld. Toch denk ik dat er genoeg aanknopingspunten zijn om een vergelijking te maken tussen het humanisme en het boeddhisme.
Een probleem is dat er verschillende vormen van boeddhisme zijn en ook meerdere humanismen, met dit laatste wordt de veelzijdigheid aangegeven in wat men in de loop van de geschiedenis onder humanisme verstond.
Als we de relatie tussen deze twee willen onderzoeken zullen we ons in dit bestek moeten beperken tot bepaalde stromingen in deze tradities en bepaalde aspecten die in beide stromingen in de geschiedenis terugkomen.
Ik heb ervoor gekozen dit te doen aan de hand van een viertal onderwerpen: een vergelijking van algemene aspecten van het humanisme en boeddhisme, causaliteit, de postulaten van Van Praag versus de denkbeelden van de Boeddha en een vergelijking tussen het existentialisme zoals wij dit bij Sartre zien vergeleken met het boeddhisme.
Algemene aspecten van het boeddhisme en het humanisme
Het boeddhisme wordt vaak als een van de wereldgodsdiensten gepresenteerd, het interessante is echter dat deze traditie geen godsbegrip hanteert. Het typische van de boeddhistische traditie is, dat het een zogenaamde non-theïstische traditie is. Non-theïstisch wil zeggen dat het boeddhisme zich niet uitspreekt over het bestaan of het niet bestaan van God.
Ook het humanisme hanteert geen godsbegrip, in verschillende tijden wordt de vraag of het humanisme een aanvulling op godsdienst wil zijn, een alternatief of een concurrent, verschillend beantwoord.
Als men het begin van de humanistische traditie situeert in de Grieks-Romeinse oudheid, dan treffen we het daar aan als een visie op menselijke ontplooiing en menselijke waardigheid, gekoppeld aan begrippen als humanitas en paideia. Het latere humanisme wordt dan meestal beschouwd als een herleving van deze klassieke idealen, in de middeleeuwen en vooral ook in het Renaissance-humanisme. De soort die een herleving van de klassieke cultuur inhoudt wordt vaak “eerste soort” genoemd en humanisme van de “tweede soort” wordt dan gezien als de aanduiding van een niet-godsdienstige visie op de mens en de wereld zoals deze in de 19e eeuw ontstond.
Kijken wij naar de visie van Alan Bullock op humanisme, die het humanisme opvat als een brede tendens, een dimensie van denken en geloven, een voortdurend debat, waarbij geen sprake is van een systeem maar veeleer van een aantal gedeelde veronderstellingen, dan kunnen we zeker aanknopingspunten vinden bij het boeddhisme.
Volgens het boeddhisme is er geen hogere instantie, geen oordeel, geen goddelijke interventie en zijn er geen goden die het lot van de mens besturen. Er is enkel de wet van karma; daden hebben hun gevolgen in de komende seconde, het volgende uur, dag, maand, jaar, decennium of leven, of in een andere verre tijd. Alle intenties en daden hebben karmische consequenties en het resultaat van die consequenties bepaalt iemands wedergeboorte na de dood.
Traditioneel betekent humanisme onder andere aandacht voor de mens, nadruk op de menselijke waardigheid, medemenselijkheid, de autonomie van de mens en een vrij groot vertrouwen in de typisch menselijke mogelijkheden. Elk mens heeft het vermogen om zelf te oordelen.
Al kent het humanisme geen zaken als wedergeboorte en laat het de mens meer vrij te handelen, in die zin dat er geen “dreigende” consequenties aan daden vastzitten, toch valt er wel een overeenkomst te bespeuren tussen karma in het boeddhisme en de autonomie en menselijke mogelijkheden van het humanisme. Beiden leggen de verantwoordelijkheid voor het leven bij de mens zelf en beiden streven naar een samenleving waarin verdraagzaamheid, eerbied voor de menselijke waardigheid en medemenselijkheid centraal staan. In het boeddhisme komt dit naar voren in de 5 basisregels: geen levende wezens doden, niet nemen wat niet gegeven is, geen seksueel wangedrag, geen onjuiste spraak, geen bedwelmende middelen gebruiken. In het humanisme zien wij dit streven belichaamd in de beginselverklaringen van het Humanistisch Verbond: het humanisme wordt gekenmerkt door de voortdurende bereidheid zich in denken en doen naar normen van redelijkheid en zedelijkheid te verantwoorden, de helpende zorg voor de medemens om hem in staat te stellen zich te ontplooien tot een volwaardig bestaan in zelfbestemming (vergelijk met het boeddhistische bodhisattva ideaal) en het streven naar een samenleving waarin vrijheid, gerechtigheid, verdraagzaamheid, eerbied voor de menselijke waardigheid en medemenselijkheid centraal staan.
In de Verlichting vervulden Griekse en Romeinse auteurs nog vaak de functie van voorbeeld en maatstaf voor menselijke zelfontplooiing, vanaf de Renaissance wordt de natuurlijke menselijke rede veeleer de maatstaf.
Het boeddhisme wordt vaak a-dogmastisch genoemd, net als het humanisme. Het humanisme gaat uit van het individu, het boeddhisme kent upaya (skilful means) wat betekent dat de boodschap wordt aangepast aan de persoon. De boodschap is niet voor iedereen hetzelfde; het doel wel, maar het pad verschilt.
In het boeddhisme is de boeddha “slechts” een voorbeeld van een mens die een juist leven leidde.
Het boeddhistische mensbeeld lijkt diepgaand te verschillen van het humanistische mensbeeld. Terwijl het humanisme uitgaat van de morele en intellectuele autonomie van het individu, stelt het boeddhisme de non-identiteit van het individu centraal in zijn visie. De autonomie-idee is erop gericht een mens van elke vorm van afhankelijkheid te bevrijden tenminste van elke vorm van ethische en intellectuele afhankelijkheid. De non-identiteit is erop gericht een mens te doordringen van het besef dat de ego-vorm, de eigen identiteit, een voorlopige, tijdelijke vorm is die ontstaat bij de conceptie en zich oplost tijdens het sterven. Op het eerste gezicht staan beide stromingen lijnrecht tegenover elkaar: westers individualisme versus oosterse non-identiteit. Zodra we echter de diepere betekenis van de normatieve ideeën van autonomie en non-identiteit tot ons laten doordringen, wordt de onderlinge polariteit evident.
De Boeddha en Socrates gaan slechts schijnbaar vanuit een tegenovergestelde intuïtie te werk, omdat de boeddhistische non-identiteit een levenslange voorbereiding is op radicale onafhankelijkheid, met inbegrip van de dood. Beide filosofen hebben de dood met overgave aanvaard.
Causaliteit
Bij het ontstaan van het moderne humanisme in de 18e eeuw kwam een aantal denkwijzen naar voren die een breuk vormden met de heersende (christelijke) levensbeschouwing. Een aantal van deze denkwijzen valt onder de noemer van het naturalisme. Centraal in het naturalistische wereldbeeld staat het ongeloof in alle vormen van het bovennatuurlijke. De wereld heeft geen bovennatuurlijke oorsprong, ze is zelfbestaand; niet geschapen, maar zelforganiserend. Het naturalisme benadrukt dat de wereld waarin we leven geen bovenzinnelijke of transcendente dimensie bezit.
Het naturalisme gaat uit van een causale benadering: de manier waarop de wereld om ons heen en wijzelf voortdurend veranderen wordt bepaald door oorzaak en gevolg; door causaliteit. Gebeurtenissen doen zich voor ten gevolge van eraan voorafgaande gebeurtenissen en op basis van de wetmatigheden die in de werkelijkheid heersen. De wereld is niet doelgericht maar causaal geordend. De gang van zaken wordt dus niet van hogerhand gereguleerd met een bepaald doel. Volgens het naturalisme leidt niet het kennen van het verborgen doel van het bestaan tot het ontwikkelen van humaniteit en menselijk geluk, maar het onderzoeken en leren kennen van de verborgen oorzaken van gebeurtenissen. De doelen die mensen zich stellen zijn niet meer of minder dan de oorzaken voor bepaald gedrag. In die zin veroorzaken deze doelen hun gedrag en hebben zij gevolgen voor de gang van zaken. Juist omdat binnen het naturalisme de basis van ethiek in de mens zelf wordt gelegd en niet in een goddelijk principe, ligt de mogelijkheid van ontplooiing van humaniteit op individueel en maatschappelijk gebeid verankerd in de mens zelf en daar is vrijheid voor nodig.
Het boeddhisme is niet gericht op het hogere als daarmee een bovenaardse, bovenmenselijke, transcendente werkelijkheid wordt bedoeld. Het is gericht op de mens en het menselijke bestaan, zoals zich dat hier en nu aan levende mensen voordoet. Niet God maar de mens staat centraal. De Boeddha wordt binnen deze traditie dan ook niet als een god gezien en vereerd maar als de meest waarachtige mens. In het verlengde van deze godloze visie benadrukt het boeddhisme, evenals het naturalisme, dat de wereld geen bovennatuurlijke oorsprong heeft, dat ze zelfbestaand is; niet geschapen, maar zelforganiserend. En wederom in overeenstemming met het westerse naturalisme ziet het boeddhisme de wereld niet als een doelgerichte, maar als een causaal geordende werkelijkheid.
Ook de Boeddha was op zoek naar oorzaak- en gevolgrelaties, maar dan op een ander vlak: op het vlak van de werkelijkheid zoals we die beleven. Die werkelijkheid is het product van onze mentale activiteit, ons denken voelen en verbeelden, en onze zintuiglijke activiteit. Daardoor is zij, objectief gesproken, een subjectieve werkelijkheid. De subjectieve werkelijkheid ontneemt ons het zicht op de werkelijkheid en doet ons er als een blinde tegenop lopen. Kortom ze is een oorzaak van lijden (dukkha).
Wanneer we het boeddhisme typeren als een vorm van causale spiritualiteit, dan is dat ook omdat het boeddhisme ervan uitgaat dat de aangename of onaangename gevolgen van ons denken, handelen en spreken niet door de belonende of straffende hand van een voor de ratio ondoorgrondelijk goddelijk wezen. Zij worden veroorzaakt door gedachten, woorden en daden die op onwetendheid over de aard van de werkelijkheid zijn gebaseerd. Niet ongehoorzaamheid aan God en zijn wetten, maar handelen op basis van onwetendheid over de samenhang tussen oorzaak en gevolg is wat mensen doet lijden.
Het westerse humanisme is vooral een rationeel humanisme. De grote waarde die we in onze cultuur toekennen aan het cultiveren en het gebruik van de ratio heeft haar wortels in de Griekse Oudheid. Zij heeft door de eeuwen heen niet alleen het gezicht van het humanisme, maar ook dat van het christendom mede bepaald. Het boeddhisme vindt zowel oefening in spirituele als in rationele methoden nodig.
Het boeddhisme en het humanisme hebben zeker een gemeenschappelijke basis in wat wij het naturalisme noemen. We kunnen hieruit niet concluderen dat het boeddhisme een vorm van humanisme is, want het moderne humanisme ziet geen heil in de beoefening van meditatie en andere spirituele oefeningen als middel tot het bevorderen van humaniteit.
Postulaten van Van Praag versus de denkbeelden van de Boeddha
Volgens Jaap van Praag is het uitgangspunt van humanisme dat zowel de mens als de wereld van de mens uit begrepen wordt. Van Praag ontwikkelde dit uitgangspunt in twee groepen van elk vijf postulaten: de eerste groep betreft de mens (de antropologische postulaten), de tweede de wereld (de ontologische postulaten).
De antropologische postulaten:
1. Natuurlijkheid; dat de mensen begrepen worden als deel van een natuurlijk ervaarbare wereld en dat zij zoals alle andere levende wezens natuurlijke organismen zijn, onderworpen aan de krachten van de natuur. Lichaam en bewustzijn worden opgevat als een oorspronkelijke twee-eenheid, omdat ook het menselijke bewustzijn uit de natuurlijke ontwikkeling is voortgekomen. De cultuur van de mensen is hun natuur.
2. De mensen zijn onderling verbonden, omdat zij met elkaar aan de wereld ontsproten zijn. Ze zijn voor hun ontplooiing op elkaar aangewezen en voor elkaar verantwoordelijk.
3. Gelijkheid van mensen; dit houdt gelijkwaardigheid en gelijkgerechtigdheid in.
4. Vrijheid; betreft de praktische keuzevrijheid die niemand kan ontlopen. De mensen zijn veroordeeld tot vrijheid.
5. De redelijkheid; rationalisme in strikte zin.
De ontologische postulaten:
1. De wereld is ervaarbaar; de beleving is primair ten overstaan van de beschouwing. Beleving en beschouwing vullen elkaar aan, maar sluiten elkaar ook uit.
2. Het bestaan van mens en wereld in onverbrekelijke samenhang. Nu moeten we het doen, er is geen andere wereld.
3.Volledigheid; de wereld is wat zij is en verwijst niet naar iets erbuiten of erachter.
4.Toevalligheid; de wereld is er zonder aanwijsbare oorzaak en functioneert zonder aanwijsbaar doel.
5. De wereld is dynamisch; dat zij wordt beleefd als zich afspelend in een voortdurende natuurlijke wording.
Over de mens zei de Boeddha dat eenieder zijn/haar spirituele niveau zelf moest verdienen. De Boeddha onderwees iedereen die naar hem toekwam zonder onderscheid. Het boeddhisme kent geen kastenstelsel, wat de idee van gelijkwaardigheid en gelijkgerechtigdheid impliceert. Het boeddhisme kent de bodhisattva, iemand die verlichting heeft bereikt maar het nirvana nog niet binnengaat teneinde anderen te helpen om verlichting te bereiken.
Ook zien we in het boeddhisme vrijheid, het boeddhisme biedt een weg voor wie geïnteresseerd is, maar zal die weg aan niemand opdringen. De mens is onderworpen aan de krachten van de natuur, aan de wetten van karma.
Door het “Achtvoudige pad” te beoefenen kan iemand op een hoger of dieper spiritueel niveau komen. De acht stappen van het achtvoudige pad kunnen worden onderverdeeld in 3 categorieën: wijsheid, ethisch gedrag en geestelijke ontwikkeling.
Het pad bestaat uit: juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist gerichte daden, juiste levensonderhoud, juiste inspanning, juiste aandacht en juiste concentratie.
De Boeddha heeft zich terughoudend uitgesproken over de wereld. De Boeddha heeft geen uitspraken gedaan over het ontstaan van de wereld. Hij vond het niet van belang hoe de wereld ontstaan is, maar hoe je er vanaf komt.
Wel kent het boeddhisme drie eigenschappen van de wereld:
-Dukkha: dit wordt vertaald als lijden, maar is veel breder dan dat; je weet in de wereld nooit waar je aan toe bent, alles is impertinent. Het diepe besef van imperfectie in het bestaan. Lijden is inherent aan het leven. Vroeg of laat gaat ook geluk over en blijft een gevoel over van verlies en verlangen, zo wordt zelfs geluk dukkha.
-Anicca: niets is eeuwig. De wereld bestaat uit dhamma’s, elementaire deeltjes, Deze leiden hun eigen bestaan. De mens ziet hier eenheid in maar het verandert steeds. Er is wel een continuïteit die we met onze zintuigen kunnen waarnemen.
-Anatman: er is geen continu zelf. Er is geen atman (ziel) die constant bestaat. Een ziel ontstaat per moment.
Zowel in het humanisme als in het boeddhisme staat de notie van philanthropia, menslievendheid, centraal. Vanuit het boeddhistische standpunt dient het spirituele pad gericht te zijn op wat “het welzijn van alle levende wezens” wordt genoemd. De motivatie is om alle levende wezens te bevrijden van het lijden. Dit verlangen is de grondslag van de boeddhistische ethiek. De humanistische tradities baseren hun ethiek liever op de rede
Existentialisme
H. van Praag (een andere humanist dan de bekende Jaap van Praag) noemde in 1965 de Boeddha “vermoedelijk de grootste humanistische denker van alle tijden. Verder constateer hij frappante overeenkomsten tussen de Boeddha en Sartre, beiden zien waarachtigheid als grote deugd. Zij hebben ook beiden een goddeloze antropologie, verder spreken zij zich beiden niet uit over het “geheel andere”.
Volgens Sartre is er geen kern of essentie die je in jezelf draagt en waaraan je moet beantwoorden; het bestaan gaat aan het wezen vooraf. Een mens heeft altijd een keuze. Dat is wat Sartre 'existeren' noemt. De mens heeft geen vastgelegd wezen, maar maakt in zijn bestaan zijn eigen wezen; de mens is dat wat hij doet. Omdat de mens zichzelf maakt, is hij ook principieel voor zichzelf verantwoordelijk.
Een ding is daarentegen wel aan zijn essentie gebonden. Het grootste gevaar dat ons als mens bedreigt, is dat wij onszelf als ding gaan ervaren en vergeten dat we de vrijheid hebben om anders te zijn.
Het boeddhisme wijst het concept van het bestaan of zijn waarde niet af, maar stelt wel onze gehechtheid aan de concepten, idealen en waarden waarmee we het belang van ons bestaan bewijzen ter discussie.
Als we de denkbeelden van Sartre bezien zouden we dat wel kunnen vergelijken met de begrippen non-identiteit en karma in het boeddhisme.
Laatste woorden van Jean-Paul Sartre: Ik heb gefaald
Laatste woorden van de Boeddha: alle conditioneringen zijn vergankelijk, streef onvermoeibaar.
Conclusie
Al zijn er zeker overeenkomsten te vinden tussen het humanisme en boeddhisme, mijns inziens zijn er toch ook veel verschillen te vinden.
Overeenkomsten moeten vooral gezocht worden op het vlak van normen en waarden zoals humaniteit, menselijke waardigheid, verdraagzaamheid en medemenselijkheid. Tevens leggen beiden de nadruk op de autonomie van de mens en diens verantwoordelijkheid voor zijn daden en hanteren beiden geen godsbegrip.
Verschillen waar we niet omheen kunnen zijn het bevrijdingsdoel binnen het boeddhisme; niet meer wedergeboren worden. In de kring van wedergeboorte zijn alle wezens deel van dezelfde levenscyclus. Elk lijden dat men ziet bij een ander wezen heeft men ooit zelf ervaren. Dit is een totaal ander uitgangspunt dan dat van het humanisme. Het boeddhisme vraagt een goed mens te zijn ten bate van je eigen persoonlijke groei en zo kan het uiteindelijk vriendelijkere en liefdevollere mensen creëren. Het humanisme vraagt ditzelfde van de mens, ook om persoonlijke groei door te maken en tevens je eigen mogelijkheden ten volle te benutten. Beiden zouden een betere wereld tot stand kunnen brengen.
Als we alleen uitgaan van de praktische oefeningen en uitgangspunten van het boeddhisme, zoals dat in het westen vaak gehanteerd wordt, dan zouden het boeddhisme en humanisme zeer wel naast elkaar beoefend kunnen worden, mogelijk zou het zelfs complementair aan elkaar kunnen zijn.
Bestuderen we echter de diepere lagen van het boeddhisme dan zien we heel andere uitgangspunten dan bij het humanisme en zijn de verschillen mijns inziens onoverbrugbaar.
Bronnen
P. Cliteur en W. van Dooren, Geschiedenis van het humanisme; Hoofdfiguren uit de humanistische traditie, Amsterdam 1991
Fons Elders, Humanisme en boeddhisme, een paradoxale vergelijking, Nieuwerkerk aan den IJssel 2000
Peter Harvey, An introduction to Buddhism, Cambridge 1990
School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen, column Dr. E. Maex, nieuwsbrief 2 april 2004