RELIGIE EN ACTUALITEIT
Erika Baardwijk
0545457
Opdracht week 47 Religie en actualiteit
Waarom zou men religie achterhaald kunnen noemen of juist niet?
Al valt er in Nederlandse populaire televisieprogramma’s weinig religie te bespeuren, in de serieuze media, in de politiek en in de wetenschap wordt juist meer over religie gesproken dan in de decennia daarvoor. Hiervoor kunnen volgens Van der Ven een aantal oorzaken worden gegeven:
Van der Ven vraagt zich af of een samenleving zonder waarden en normen niet uit elkaar valt en of wij voor de revitalisering van deze normen en waarden religie nodig hebben. Uit het Europees waardenonderzoek blijkt dat religie de laatste decennia een neergang vertoont, terwijl de moraal gelijk blijft.
Toch is religie wel teruggekeerd, maar het lijkt dat dit alleen het geval is als een punt van discussie en strijd op de maatschappelijke en politieke agenda. Uit gesprekken en publicaties is op te maken dat met deze terugkeer de opleving van religie wordt bedoeld in de hoofden en harten van de mensen zelf. Zo zou er sprake van de opkomst van nieuwe religieuze bewegingen, nieuwe vormen van spiritualiteit en nieuwe geestelijke stromingen die allemaal zouden voortkomen uit het ingeboren streven naar het hogere, het uiteindelijke en het ultieme en uit de ingeboren honger naar zin, vervulling en voltooiing. Dat verschijnsel zou zich vooral onder jongeren voordoen. Die jongeren komt men echter nauwelijks tegen in de kerken. Om te beoordelen of daarmee de religie op zijn retour is of dat onder die nieuwe vormen van spiritualiteit ook religie verstaan kan worden is het van groot belang de termen religiositeit en spiritualiteit juist te definiëren.
Als we kijken naar de definitie van spiritualiteit dan zien we dat dit door de geschiedenis heen nogal verandert.
Vroeger werd spiritualiteit gekoppeld aan een van de grote religies. Het ging toen om de persoonlijke deelname aan de spirituele en mystieke ervaringen die in de grote tradities lagen opgeslagen. Tegenwoordig verwijst spiritualiteit ook naar de met emotie geladen reflectie op de vraag naar de oorsprong, de zin en de betekenis, het doel en de bestemming van het bestaan, mede naar aanleiding van de ervaring van geluk en ongeluk in het individuele en gemeenschappelijke leven. Voor de eerste vorm van spiritualiteit wordt verbondenheid met een van de religies verondersteld, voor de tweede vorm is dat niet noodzakelijk, want ook niet-religieuze mensen maken de ervaring van existentiële reflectie door.
In West-Europa kalft religie steeds meer af en vergrijst. Het helpt dan niet om op het woord spiritualiteit terug te grijpen, daar deze niet noodzakelijk religieus hoeft te zijn, zoals we hierboven zagen, maar ook existentieel van aard kan zijn. Tevens kan men zich afvragen wat er op de lange termijn nog overblijft van een religieuze cultuur wanneer de deelname aan de bijbehorende religieuze structuur permanent afwezig blijft.
Niet in alle landen is religie op haar retour, er is in een aantal landen zelfs een ware opleving, zoals in Latijns-Amerika, Afrika en islamitische landen.
Dit blijkt onderdeel te zijn van een wereldwijd fenomeen: de kerken trekken van het noordelijk halfrond naar het zuidelijk halfrond. Tegelijkertijd worden ze ook steeds rechtser, conservatiever en orthodoxer. Dat geldt zowel voor de katholieke kerk als voor de protestantse kerken.
In bijvoorbeeld de VS blijk het aantal katholieken wel op hetzelfde niveau, maar daar zie je dat de samenstelling van de geloofsgemeenschappen verandert. Veel katholieken verlaten de kerk, maar daarvoor in de plaats komen katholieke migranten.
Zoals we gezien hebben is er in West-Europa toch sprake van een zeker secularisatieproces als we zuiver kijken naar religie en niet naar de bredere betekenis van spiritualiteit.
Het is daarom zaak de causale factoren te bekijken die aan het secularisatieproces ten grondslag liggen.
Van der Ven haalt hiertoe de moderniseringstheorie aan gebaseerd op het verschijnsel van functionele differentiatie. Dit houdt in dat de verschillende functies in de maatschappij zich in systemen voltrekken die steeds autonomer ten opzichte van elkaar werken, elk volgens een rationele logica, met eigen codes en met eigen typische actoren. Bijvoorbeeld het economische systeem, politieke systeem, gezondheidszorg, onderwijs, etc. Het is een ontwikkeling die zich over meerdere eeuwen uitstrekt en diep in de samenleving, en van daaruit ook in de religie, ingrijpt.
Volgens deze theorie kunnen binnen de modernisering vier processen worden onderscheiden:
1. Economische modernisering: wanneer de industrialisatie het wint van de huisnijverheid, de handelsmarkten opkomen, het maken van winst voorop staat. Dan stort het “hemels baldakijn” dat het harmonisch leven in het gezin, op het land en in de kerk omspande, in.
2. Politieke modernisering: dit vraagt om modernisering van de bestuurlijke en politieke structuur van de maatschappij. Daaruit is in het westen de liberale democratie voortgekomen. De burgers kiezen een representatieve volksvertegenwoordiging. Het contract dat de burgers daartoe aangaan mondt uit in een constitutie die gekenmerkt wordt door de scheiding van kerk en staat.
3. Sociale modernisering: Vooral migratie van het platteland naar de stad. Er ontstaat een anoniem stedelijk agglomeraat, waarin mensen vooral instrumenteel en functioneel met elkaar omgaan. Eenheid gezin, school en kerk is verloren geraakt. De kerk heeft har centrale positie verloren. Er is een sterke individualisering, ook religieus.
4. Culturele modernisering: Ontwikkeling van wetenschap en technologie. “Max Weber; “Entzauberung der Welt”. De wereld heeft haar goddelijke glans verloren, omdat ze tot meetbaar en maakbaar onderzoeksobject van de wetenschap is geworden.
De secularisering is te zien als het resultaat van deze viervoudige modernisering.
In dit seculariseringproces doorlopen mensen verschillende fasen. Deze fasen verlopen niet voor iedereen in dezelfde volgorde. Het resultaat kan zijn dat iemand bijvoorbeeld een nieuwe mengvorm van religie aan gaat hangen, ook is er en groep die de kerk helemaal verlaten en afscheid nemen van welke religie dan ook. Dit laatste is vooral te zien onder jongeren met hogere opleiding en wonend in een grootstedelijke omgeving.
Door het proces van politieke modernisering is er een scheiding tussen kerk en staat. Absolute privatisering, zoals liberalen voorstaan, doet de positieve functies van religie te kort. Dat is niet alleen schadelijk voor de religies maar ook voor de samenleving. Bovendien druist deze tendens tot privatisering van religie in tegen de godsdienstvrijheid zoals die in de vele internationale verdragen is geformuleerd. Elk mens heeft het recht zijn godsdienst te beoefenen. Volgens de Nederlandse rechtstraditie houdt de scheiding van kerk en staat niet in dat de staat zich geheel en al terugtrekt uit welke religieuze aangelegenheid dan ook. Neutraliteit wordt grondwettelijk dus niet gekenmerkt door het beginsel van een volstrekt terugtrekkende overheid, maar door het principe van gelijke behandeling.
De scheiding van kerk en staat leidde weliswaar tot de marginalisering van religie, toch zien we tegenwoordig dat religie is teruggekeerd als maatschappelijk en politiek thema. Helaas is dat grotendeels doordat religie weer te maken heeft met conflict, gewelddadigheid en oorlog. Naarmate religie steeds vaker vanwege haar conflictogeen karakter op de publieke agenda wordt gezet zal de roep om een verdergaande scheiding van kerk en staat toenemen. Dit is paradoxaal; hoe intenser haar terugkeer, des te intenser de roep om haar vertrek. Als dit waar is dan is het nog urgenter na te denken over een maatschappelijke en politiek passende re-integratie van religie in de moderne samenleving.
Van der Ven illustreert bovenstaande aan de hand van 3 thema’s.
Autonomie:
Voor de religies vormt de mens als en autonoom “ik”een structureel probleem. Hoe valt de autonomie van de mens immers te rijmen met de heteronomie van God aan wiens wil de mens zich moet onderwerpen?
Wanneer de mens gelooft dat hij in alles absoluut afhankelijk is van God, dan is het de mens die aan God toeschrijft dat Hij de grond van zijn bestaan is, dan is het de mens die aan God attribueert dat Hij de Schepper is, de verlosser en de voltooier; dan is het de mens die dit gelooft. In die attributie ligt de menselijke autonomie besloten, althans in de van keuzevrijheid. Zeker in landen die sterk door autonomiedenken worden gekenmerkt, is de binding aan religie steeds minder afhankelijk van een inlijvingsproces via het gezin en de opvoeding en steeds meer van de eigen keuzeactiviteit.
Respect:
De grond om aan de vrijheid en autonomie zo’n fundamentele betekenis toe te schrijven wordt gevormd door het inzicht dat de mens een waarde in zichzelf vertegenwoordigt, een doel in zichzelf is. In de vrijheid en autonomie is zijn waardigheid gelegen. Dit geldt voor elk mens, daarom dienen we degenen die we op onze weg tegenkomen en met wie we samenleven, met respect tegemoet te treden. Empirisch onderzoek naar de houding van gelovigen wijst keer op keer uit dat zij vaak van een sterkere positieve houding jegens de eigen ingroup blijk geven en van een sterkere negatieve houding jegens de outgroup. Men kan zich de vraag stellen of gewelddadigheid jegens andersdenkenden wellicht tot het wezen van religie behoort en of geweld wellicht zelfs uit religie voorkomt. Wat dit punt betreft zouden de religies een cultuuromslag moeten maken.
Gerechtigheid en mensenrechten:
We onderhouden relaties met de anonieme ander door de instituties waarin wij en zij zich bevinden. Er is dan een houding vereist dat we willen dat deze mens recht wordt gedaan en dat we er feitelijk toe bijdragen dat hem recht wordt gedaan.
Kerken propageren wel mensenrechten naar buiten, maar deze worden intern voor ongeldig verklaard en de schending ervan wordt gelegitimeerd met een beroep op bijbel, openbaring of goddelijk recht. Deze houding draagt bij aan de ongeloofwaardigheid van de kerken in de huidige maatschappij.
Van der Ven heeft met zijn betoog aangetoond dat er van een terugkeer van God geen sprake is wanneer daarmee wordt bedoeld dat de religie in de hoofden en harten van mensen in groten getale weer aan het opleven is. God is alleen teruggekeerd op de politieke en maatschappelijke agenda, maar dan alleen als onderwerp dat negatieve connotaties oproept omdat het met problemen, conflicten en gewelddadigheid gepaard gaat. Van der Ven heeft aangegeven dat religie gemarginaliseerd wordt, de oorzaak daarvan heeft hij uitgelegd aan de hand van het vierkoppige moderniseringsproces.
Religie wordt gezien als een privéaangelegenheid, wat de privatisering van religie tot gevolg heeft.
De tendens is dat religie op het moment steeds meer achterhaald begint te worden en als er niets aan gedaan wordt om het tij te keren dan zou religie, volgens Van der Ven, wel eens helemaal kunnen verdwijnen.
Maneschijn gaat in op de achtergrond van goed en kwaad. Uit zijn stuk komt vooral naar voren dat het doen van goede dingen of het doen van slechte dingen niet zonder meer met religie in verband zijn te brengen. Mensen blijken, of zij nu religieus zijn of niet, in staat te zijn zowel goed als kwaad te doen.
Wel maken zowel de joodse als de christelijke traditie een praktisch onderscheid tussen moraalvoorschriften die voor de gelovigen gelden en andere die voor iedereen gelden, of zouden moeten gelden.
De inhoud van wat tot de publieke en de private moraal behoord is aan historische verandering onderhevig. Deze verandering hangt samen met aanpassingen met aanpassingen in religieuze en sociaal-culturele tradities.
Het verbod onschuldig bloed te vergieten geldt volgens joodse en vroegchristelijke tradities voor alle mensen van alle tijden op alle plaatsen, ook als daarmee het voortbestaan van de tradities gebaat zou zijn. Dit onvoorwaardelijke verbod kan worden opgevat als een noodzakelijke ethische correctie van teksten die de heilige oorlog preken.
Toch zijn er historische voorbeelden te over waarin we zien dat religie goede mensen kan aanzetten tot de grensoverschrijding naar de wereld van geweld. Zo waren er bijvoorbeeld kruisvaarders, de slepende godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw, de jihad. Religieus gemotiveerd geweld wordt vaak gelegitimeerd door een selectief beroep op een heilige tekst of een actuele openbaring. Ook komt het tegenovergestelde voor: met een beroep op zorgvuldige uitgekozen Bijbelverzen kiezen voor principiële geweldloosheid. In beide gevallen staat de keuze van te voren vast, om die daarna voor legitiem te verklaren met een selectief beroep op de Bijbel.
Religie lijkt een dubbelfunctie te hebben. Religie kan motiveren tot volkomen overgave aan een bepaalde zaak, zowel ten goede als ten kwade. Toch leek in de geschiedenis het gebod om de vijand lief te hebben de gelovigen heel wat moeilijker af te gaan dan toe te geven aan de neiging de vijand te haten. Er kan worden vastgesteld dat gelovigen geen ethische voorsprong hebben op ongelovigen of andersom.
Niet alleen religie maar ook ideologie kan mensen die het goed bedoelen aanzetten tot gruwel daden. Bijvoorbeeld het gruwelijke idee van “het wegsnijden van de zieke elementen uit het gezonde lichaam” komt niet op conto van gelovigen, maar op dat van ideologen als Robespierre, Hitler, Stalin en Pol Pot, die vijandig stonden tegenover religie.
Al is het voor gelovigen ook niet gemakkelijk altijd het goede te doen, christenen zij hebben wel een groot voorbeeld van volkomen overgave aan anderen: Jezus van Nazareth. Zijn manier van leven strekt tot navolging. Ook in Bijbel zijn vele teksten die afschuw uitspreken over kwaaddoen en oproepen tot goeddoen. Bijvoorbeeld in Romeinen staat: “Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede”.
Daar tegenover staat de stelling van Freeman Dyson; dat het christendom een religie is voor zondaars, want Jezus zelf zegt dat hij niet gekomen is om rechtvaardigen te roepen maar zondaars te bekeren. Dyson lijkt met slechte mensen zondaars te bedoelen, dit terwijl Jezus niet spreekt over goede en slechte mensen, maar over rechtvaardigen die zich stipt hielden aan de voorgeschreven moraal van de religieuze leiders en over zondaars die de kantjes eraf liepen. Jezus put uit de profetische traditie dat barmhartigheid belangrijker is dan offerande. Het is eigen aan deze traditie dat de mensheid niet kan worden opgedeeld in goede en slechte mensen. Alle mensen delen in dezelfde voorwaarden van mens-zijn: in staat tot het doen van zowel het goede als het kwade.
Gelovigen hebben dezelfde mogelijkheden en zwakheden als alle andere mensen. Hun religie kan hen motiveren tot het doen van goed, maar ook van het kwaad, zoals bij ongelovigen de ideologie dat kan. Zowel zondaren als heiligen zijn mensen die keuzes maken, en dat doen ze omdat ze besef hebben van goed en kwaad.
Mijn eigen mening:
Als er een opleving van religie is in de hoofden en harten van mensen zelf kan het toch niet achterhaald zijn, want als het in de politiek alleen wordt behandeld als punt van discussie en strijd dan vraag ik mijzelf af of de mensen die religie heel anders beoefenen, juist als een bron van het goede, dan wel de juiste volksvertegenwoordigers gekozen hebben.
Natuurlijk is het, zoals van der Ven aangeeft, van belang om eerst te kijken naar wat men precies onder religiositeit en spiritualiteit verstaan moet worden. Spiritualiteit lijkt tegenwoordig erg in de mode, maar heeft een heel andere betekenis gekregen. Spiritualiteit hoeft niet per se religieus te zijn, want ook niet-religieuze mensen maken de ervaring van existentiële reflectie door. Als ik kijk naar spiritualiteit in het algemeen dan is dat zeker niet achterhaald. Als ik kijk naar religie dan lijkt dit alleen in bepaalde landen, met name in West-Europa, achterhaald, in de zin dat er minder mensen naar de kerk gaan. Het is zeker niet achterhaald als je kijkt naar de betekenis die religie nog heeft voor de mensen die wel naar de kerk gaan. Tevens is er een groeiende groep mensen die uit diverse religies voor hen het beste halen en zo een bricolage samenstellen van religie. Van de Ven uit zijn zorgen over het voortbestaan van een religie als deelname aan de bijbehorende structuur permanent afwezig blijft. Toch denk ik dat er ook veel mensen zijn die eerst “zoekende”zijn, maar die zich uiteindelijk toch weer aansluiten bij een religie, op het moment dat zij zien dat eigenlijk al de normen en waarden die zij aanhangen en de spiritualiteit die zij zoeken juist bij een bepaalde religie daadwerkelijk te vinden zijn.
Buiten West-Europa is religie helemaal niet achterhaald. Niet eens zover van huis, in Griekenland, is de religie nog een zeer belangrijk onderdeel van de samenleving en niet alleen voor ouderen. Ook onder jongeren is het Grieks-orthodoxe geloof onverminderd populair en hoort bij alle facetten van het leven. Ook de islam is in islamitische landen nog steeds belangrijk.
Ik denk dat de populariteit van de islam en het Grieks-orthodoxe geloof voornamelijk te danken is aan de vanzelfsprekendheid waarmee kinderen met die religies worden opgevoed. Men vraagt zich niet steeds af, zoals in Nederland, wat men met religie moet en of het nog wel betekenis heeft. Ook niet onbelangrijk is de sterke scheiding van staat en religie in West-Europese landen, hierdoor hoeft men niets met religie te maken te hebben, men moet er echt voor kiezen. Het maakt in de samenleving nauwelijks nog uit of iemand gelooft of niet. Er zijn zelfs groepen mensen die gelovigen ouderwets vinden, of op zijn minst toch niet helemaal van deze wereld. Modernisering wordt gezien als het grote verworven ideaal en veel mensen in West-Europa zijn dan ook van mening dat landen die dat niet hebben doorgemaakt pas kunnen “meetellen” op de wereld nadat zij hetzelfde moderniseringsproces hebben doorgemaakt. Ik denk dat je jezelf af kunt vragen of dat altijd noodzakelijk is. Het heeft mensen in ieder geval niet gelukkiger gemaakt in West-Europa.
Maneschijn laat ons zien dat de mensheid niet kan worden opgedeeld in goede en slechte mensen. Alle mensen delen in dezelfde voorwaarden van mens-zijn: in staat tot het doen van zowel het goede als het kwade. Dit blijkt niet samen te hangen met religie.
Gelovigen hebben dezelfde mogelijkheden en zwakheden als alle andere mensen. Hun religie kan hen motiveren tot het doen van goed, maar ook van het kwaad, zoals bij ongelovigen de ideologie dat kan. Zowel zondaren als heiligen zijn mensen die keuzes maken, en dat doen ze omdat ze besef hebben van goed en kwaad.
Het is dan ook vreemd dat mensen die zelf niet gelovig zijn met de vinger wijzen naar bepaalde religies als zijnde de bron van alle kwaad, zoals nu vaak de islam in de media naar voren komt. In Europa komt het kwaad kennelijk wel uit de mens zelf, terwijl in de islamitische landen de religie gezien wordt als de bron van het kwaad. Dat zijn ongenuanceerde vergelijkingen, die geen enkele oplossingen bieden voor de werkelijke problemen die er in de wereld zijn.
Ik wil dan ook concluderen dat religie, wereldwijd gezien, zeker niet achterhaald is. Religie kan mijns inziens ook nooit werkelijk achterhaald worden, de mens is nu eenmaal een sterfelijk wezen met zowel het goede als het kwade in hem. Er is geen mens op aarde die zichzelf niet bij tijd en wijle existentiële vragen stelt en vragen naar het doel van het leven. Op al dat soort vragen is nog nooit een goed antwoord gekomen vanuit bijvoorbeeld de politiek of niet-religieuze ideologieën.